Oplossingen voor onderwijs zonder schooluitval
Dit artikel maakt onderdeel uit van een drieluik en is eerder op LinkedIn verschenen.
Eerder deze maand plaatste ik twee blogs in een serie van drie over schoolverzuim en schooluitval. De eerste blog ‘De roze olifant van het schoolverzuim’ haalde het probleem met ‘schoolaanwezigheid’ en met de nieuwe wet die in aantocht is aan. In de tweede blog ‘Van schoolaanwezigheid naar schoolverruiming’ pleit ik voor het verleggen van de focus op jongeren naar het onderwijs zélf en met drie blinde vlekken in het onderwijs heb ik aanknopingspunten gegeven voor andere en nieuwe perspectieven. In dit derde en laatste blog ga ik in op oplossingen waarin wat mij betreft meer potentie zit om schoolverzuim in de wortel aan te pakken dan waar beleidsmakers nu voor kiezen.
Oplossing 1. De leefwereld van de jongere aanpakken
Dat de leefwereld voor kinderen en jongeren behoorlijk is veranderd in de afgelopen decennia, zullen weinig mensen ter discussie stellen. De combinatie van zowel de vierde industriële revolutie, waaronder de opkomst van AI, als de evolutionaire ontwikkeling die we als mensheid doormaken, waaronder meer oog voor het neurodiverse brein, beïnvloeden de huidige tijdsgeest. Hoe hebben we ons hiertoe te verhouden?
Tijdens mijn research voor De Onderwijstrilogie, stuitte ik op het boek Laat je kind niet los van Gordon Neufeld en Gabor Maté over het belang van een hechte ouder-kindrelatie, juist nu. Jelle Jolles, neuropsycholoog en bekend van boeken over het tienerbrein, zegt in dit interview dat we jarenlang hebben gedacht dat we onze tieners los moesten laten, maar dat juist steun, sturing en inspiratie geven noodzakelijk zijn. Dat geldt niet alleen voor ouders maar ook voor het onderwijs: “Een leraar is niet alleen een onderwijsgevende, hij is ook een opvoeder. Een didacticus en een pedagoog.”
In een onderzoek naar de samenstelling van de vsv’ers binnen een van de grotere gemeenten in Nederland, werd duidelijk dat vsv’ers hele verschillende leefomgevingen en verschillende uitdagingen kunnen hebben: van armoede, schulden, criminele verleidingen tot en met afstromen, weinig succeservaringen, hoogbegaafdheid of psychische problematiek. Deze jongeren begeleiden vraagt dus om maatwerk. In hun wereld kruipen en vanuit daar de hulp en begeleiding bieden die hen verder helpt. In plaats van aan de jongeren zelf te willen sleutelen (waarbij niet gezegd is dat individuele hulp of groepsbegeleiding niet kan helpen: want dat kan het zeker wel!), is oog hebben voor hun context en daarin verandering brengen minstens net zo belangrijk. De vraag die we ons moeten stellen: Zijn er concrete oplossingen mogelijk? Zoals een jongere helpen aan een fiets zodat hij of zij de opleiding kan bereiken of het bieden van hulp binnen een gezin zodat de druk als mantelzorger op een jongere verlicht wordt.
Toen ik werkzaam was bij een mbo-school in het Rotterdamse havengebied was duidelijk dat studenten met regelmaat niet op kwamen dagen omdat er structurele bereikbaarheidsproblemen waren. Dat bracht me op het idee om een succesvolle begeleidingsaanpak uit een andere gemeente te combineren in een nieuwe leefomgeving. Een campus waar de studenten doordeweeks zouden kunnen verblijven, waar permanent jongerenwerkers aanwezig waren, om te leren criminele verleidingen te weerstaan en met geld om te gaan, waar gesport kan worden, een potje tafelvoetbal spelen, etc. Net zoals studenten van de hogere hotelschool het eerste jaar ‘intern’ gaan, een plek waar jongeren huisvesting wordt geboden, dichtbij school, waar ze nuttige levensvaardigheden op kunnen doen en waar betrokken begeleiders aanwezig zijn: een thuishaven. Uit promotieonderzoek van criminoloog Sheila Adjiembaks is naar voren gekomen dat het hebben van een of meer ‘stimulerende derde(n)’ en ‘ verandering van omgeving’ waar pro-sociale anderen aanwezig zijn bijdraagt aan het weerstaan van ‘criminele verleidingen’.[1] Een campus biedt dat en meer: structuur, nabijheid en het haalt obstakels voor schoolgang (deels) weg.
Het veranderen van de context van jongeren vraagt om samenwerking: van onderwijs, gemeenten, jeugdzorg, de zorg etc. Bij alle partijen komt genoeg geld binnen en zijn er volop potjes beschikbaar, maar besteden we dat op de goede manier? Nieuwe samenwerkingsvormen waarbij iedere partij een deel eigen financiering/middelen inbrengt, kunnen helpen in het organisatiegrens- en sectoroverstijgend samenwerken. Niet door eindeloos over problemen of gezamenlijke intenties te vergaderen, maar door vooral te doen: Het bieden van praktische oplossingen met een positieve invloed op de leefomgeving van jongeren.
Oplossing 2. Motiverend onderwijs vormgeven
In 2016 verschijnt op verzoek van OCW een rapport van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) over het Nederlandse onderwijs.[2] In dat rapport, zo schrijft de Volkskrant, stelt de OESO dat nergens ter wereld scholieren zo ongedisciplineerd en ongemotiveerd zijn als in Nederland. Het motivatiegebrek vloeit mogelijk voort uit een ‘gemis aan uitdagingen’.[3] Uit het onderzoek van Regioplan blijkt dat motivatie van de student een belangrijke factor is in het voorkomen van voortijdig schoolverlaten (Veenstra, Duysak & Van der Wel, 2025, p. 15). De vraag is dus hoe we studenten en leerlingen kunnen motiveren.
In het hoofdstuk ‘Laat me leren (en zijn)’ van De Onderwijstrilogie schrijf ik: [4]
Frank Furedi schrijft in De terugkeer van het gezag dat curriculumontwikkelaars het gebrek aan motivatie zien als synoniem van de onderwijscrisis, maar niet als een symptoom van de problemen van het onderwijs en van het lerarengezag (2011, p. 264). “Terwijl het vermogen van het onderwijs om de maatschappelijke problemen op te lossen wordt overschat, wordt zijn vermogen om kinderen te inspireren om zich op intellectueel uitdagende zaken te storten juist onderschat” (p. 180). Interessant onderwijs dus als ‘tegengif’ voor ongemotiveerde leerlingen. En dat zit zowel in het ‘wat’ wordt onderwezen als in het ‘hoe’ wordt onderwezen.
In hetzelfde hoofdstuk haal ik het werkstuk van vwo-leerling Thijs Hogenhuis aan: Haas gaat undercover. Een parabel waarin de destijds zeventienjarige Hogenhuis de vinger op de zere plek legt: het onderwijs is saai. Om de intrinsieke motivatie van leerlingen en zeker jongens, aan te spreken is interessant en levensecht onderwijs nodig. Het maakonderwijs (google maar eens op Maker Education) voorziet daarin. Maar zo zijn er meer mogelijkheden:
- Denk aan onderwijsaanpassingen in het mbo door het inrichten van alternatieve routes zoals dit mhbo-concept voor slimme jongens. Een integraal concept voor slimme jongens waarin projectonderwijs en aandacht voor LOB (loopbaanoriëntatie en begeleiding) centraal staat. Omdat jongeren die het mbo instromen over het algemeen al jong een keuze moeten maken, is de noodzaak van praktisch LOB-onderwijs om de verschillende vakken te kunnen ervaren om zo te ontdekken ‘waar ga ik op aan’ essentieel.
- Vervang het ‘van klas naar klas’-rooster waarin leerlingen in het vo soms nog maar 40 minuten les krijgen, met thema-blokken zodat er echt verbinding met de stof kan ontstaan, waarin meerdere vakken worden verbonden: maak het onderwijs betekenisvol. De perspectiefbenadering van o.a. Fred Janssen biedt hiervoor een concrete aanpak. In het bedrijfsleven wordt steeds vaker multidisciplinair samengewerkt en zijn de vraagstukken steeds complexer: verschillende perspectieven kunnen innemen is daarin essentieel.
- Volg de tien handvatten van Karin Brussel en Henno Oldenbeuving, beschreven in het boek Geef ze vleugels op het mbo: een jongensachtige aanpak. Denk aan het inbouwen van competitie en motivatie concreet aanspreken. Oldenbeuving in De Telegraaf: “Als jongens een vak of project saai of niet leuk vinden, dan haken ze af in plaats van dat ze er meer van willen weten. Maar ze kunnen iets ook ‘saai’ noemen als ze eigenlijk bang zijn om af te gaan.”[5] Het is dus ook cruciaal jongens te leren ‘verstaan’.
- Steek je licht op bij dit mbo-talentenprogramma voor havisten die vastlopen van ROC Midden waarbij havisten terwijl ze nog op school zitten in aanraking kunnen komen met het mbo als onderdeel van een LOB-aanpak.
- Doorbreek de schoolse aanpak van de avo-vakken in het mbo: minimaliseer het aantal boeken, focus op leren door te doen en zorg voor een lesaanpak die aansluit bij de vakinhoud van de opleiding. Het lijkt een open deur maar dat is het allerminst.
- Zeker jongens zijn gebaat bij ‘aanklooi’- of ‘lummel’-tijd: geef ze die. Laat ze proefondervindelijk ontdekken hoe de wereld in elkaar zit. Lees voor meer tips bijvoorbeeld het in de vorige blog aangehaalde boek van Lauk Woltring e.a.
- Stel leren centraler dan presteren: minder vaak toetsmomenten kunnen daarin bijdragen. Bijvoorbeeld twee keer per jaar. De energie gaat naar leren in plaats van presteren, al dan niet met hulp van het korte termijn geheugen. Wanneer leren betekenisvol wordt, is aan- of aanwezigheid geen onderwerp meer. Zeg nu zelf: wie wil nu deze bijzondere les missen?
Oplossing 3. Nabijheid organiseren in het onderwijs
Zorg voor eigenaarschap voor onderwijsteams
Met het onderwijs aan de slag gaan, betekent verandering voor onderwijsgevenden. Toen ik als invaldocent op de pabo aan de slag ging, kreeg ik een stapel sheets voor de lessen en tentamens die ik moest afnemen. Het was overduidelijk dat het hier ging om een onderwijsaanpak die al jaren dag in en dag uit werd herhaald. Zo loopt de energie eruit voor jezelf als docent maar ook de student pikt op dat het onderwijs sleets is geraakt.
Om de energie en inspiratie er weer terug in te brengen, zijn er een paar zaken nodig. Allereerst tijd, ruimte en evt. financiële middelen. Dat kan gefaciliteerd worden door de leiding. Anderzijds is het ook nodig dat mensen zich bewust worden van hun eigen patronen. Een deel van ons brein is gek op herhaling en automatiseren, dus niks menselijk is ons vreemd. Voor bepaalde zaken, zoals de was doen, doordeweeks koken of autorijden, kan dat heel handig zijn, maar voor andere niet. Gewoonten bieden veiligheid en verandering is per definitie onveilig. Niet gek dus we geneigd zijn hiervan weg te blijven. Verandering vormgeven in een onderwijsteam, met als uitkomst interessanter, levendiger en beter onderwijs, vraagt om oog hebben voor de menskant ervan.
Begeleid onderwijsteams (al dan niet door externen) om hun eigen analyses te maken over bijvoorbeeld teruglopende studentaantallen of een toenemend aantal afstromers, switchers of voortijdig schoolverlaten. Laat docenten zelf in gesprek gaan met (elkaars) leerlingen en studenten, waarbij ze vooraf getraind worden hoe dat te doen, zodat ze tot nieuwe inzichten kunnen komen. Of organiseer een onderwijsdebat waarbij leerlingen en studenten in een binnenring debatteren over een aantal stellingen over het onderwijs, waarbij docenten in de buitenring luisteren en achteraf de jongeren mogen bevragen. Geef onderwijsteams de ruimte om bij andere scholen te kijken, inspiratie op te doen en eigen innovaties te bedenken. Dat is zoveel beter dan wanneer een extern bureau een onderzoek doet naar bijvoorbeeld uitval en een aantal adviezen aandraagt. De hakken gaan dan eerder in het zand. Eigenaarschap bij onderwijsontwikkeling is cruciaal.
Intensiveer de relatie onderwijs en arbeidsmarkt
Een bottleneck voor studenten is steeds vaker het vinden van een stageplek. De ene na de andere ouder doet op LinkedIn een oproep voor het met spoed vinden van een stageplek voor zoon- of dochterlief: herkenbaar? Investeren in de relatie met de arbeidsmarkt en leerbedrijven is cruciaal. BPV wil binnen het mbo nog weleens een ondergeschoven kindje zijn, zeker in de voltijds onderwijsvariant. Is de student eenmaal op stage, dan is deze uit het vizier van de docent en focust die weer op het lesgeven. Het professionaliseren van BPV maar ook het werken aan een meer intensieve relatie tussen de docent, de BPV-begeleider en het stagebedrijf, is eerder noodzakelijk dan een luxe. Laat bijvoorbeeld docenten en BPV-begeleiders ook eens per jaar een week stagelopen of in een aantal bedrijven meedraaien. Zo weten ze weer waarvoor ze het doen, maar ook leren ze het bedrijf beter kennen en kan er over en weer feedback worden gegeven.
Organiseer kleinschaligheid
Menig student voelt zich in het mbo, en dan vaak de grote ROC’s, niet thuis (zie de eerste blog naar aanleiding van het onderzoek van Regioplan). In mijn boek haal ik het voorbeeld van de e-mailadressen van studenten in het mbo aan: die worden gegenereerd op basis van studentnummers. Niks gepersonaliseerd. Terwijl in het bedrijfsleven de grote corporates prima in staat zijn voor 100.000 medewerkers gepersonaliseerde mailadressen te genereren: logistiek onmogelijk is het dus zeker niet.
Twee boeken geschreven voor de context van het bedrijfsleven kunnen de grote ROC’s ook aanknopingspunten geven om met kleinschaligheid aan de slag te gaan. De intensive menshouderij van Jaap Peters en Eckart’s Notes van Eckart Wintzen. Het eerste boek laat zien wat de prijs is die we betalen voor het inrichten van organisaties (of mbo-scholen) als zijnde de intensieve veehouderij. Het tweede boek laat zien wat een oplossingsrichting is: hoe creëer je klein binnen groot? Wintzen staat bekend om zijn cellentheorie: die ten grondslag lag aan de inrichting van zijn automatiseringsbedrijf BSO.
Ook kunnen de ROC’s hun licht opsteken bij de vakcolleges die Nederland rijk is. Kleinschalige scholen gericht op één vakgebied waarbinnen hele andere gebruiken en gewoonten zijn dan binnen de grote ROC’s.
Organiseer sterke ondersteuning
Scholen kunnen enorm verschillen in de kwaliteit van de begeleiding en ondersteuning bieden. Gelukkig bewegen veel scholen al weg van het concept ‘zorgstructuur’ en bewegen ze toe naar begeleiding en ondersteuning. In het onderzoek van Regioplan is te lezen dat goede ondersteuning en begeleiding een verschil kan maken in het binnenboord houden van studenten in het mbo. Hoe kan dit versterkt worden?
Tip 1. Investeer in de kennis en vaardigheden van de ondersteuners/begeleiders/ondersteuningscoördinatoren. Kennis en vaardigheden die onontbeerlijk zijn: kennis over de breinontwikkeling tussen ca. 16 en 25 jaar, kennis over de binnen- en buitenwereld van jongens, kennis over hoogbegaafdheid (een aanzienlijk deel van de thuiszitters en vsv’ers is hoogbegaafd en hierop uitgevallen), weten hoe betrokkenheid eruit ziet en dit te organiseren, samen kunnen werken met het onderwijs om ondersteuning te integreren in onderwijsteams en onderwijsaanpak (zoals de klas als werkplaats)
Tip 2. Zorg voor mannelijke begeleiders en een aanpak die aansluit bij jongens. Elkaars taal spreken, een mannelijk rolmodel kunnen zijn: dat is essentieel. Het onderwijs, en zeker ook de interne ondersteunings- en begeleidingsdiensten worden vaak gedomineerd door vrouwen. Hierin ruimte creëren voor een mannelijke aanpak, is cruciaal. Een aanpak waarin handelen centraal staat, heeft voor jongens vaak de voorkeur dan een waarin praten centraal staat. Er moet gewaakt worden dat coaching te soft wordt en dat de school verandert in een therapeutische setting.
Tip 3. Maak ondersteuning net zo belangrijk als het onderwijs. Positioneer ondersteuning niet als ‘ernaast’ maar als onderdeel van het primair proces. Dat is geen overbodige luxe meer. Maak het normaal. Dat betekent ook investeren in docenten en leraren: kennis van pedagogiek en goed kunnen begeleiden is net zo belangrijk als de vakinhoud.
Lees dit inspirerende voorbeeld van de aanpak van een onderwijsleider van Albeda dat van de week op LinkedIn verscheen. Het hele verhaal lees je op NRC. De krant volgt een mbo-klas op de school van Gamze Karaca om zicht te krijgen op hoe hulp en begeleiding voor studenten eruitziet – gezien de grote aantallen voortijdig schoolverlaters. “Haar aanpak werkt. Toen Karaca in 2023 begon, stopte bijna een kwart van de studenten binnen een jaar met de studie. Een jaar later was dat nog maar 6 procent”, schrijft NRC. Haar geheim? Karaca laat haar studenten niet los.
Oplossing 4. Investeer in onderwijs dat wél past: maak nieuwe onderwijskeuzes
In de tweede blog sprak ik al over onderwijsomgevingen en het verruimen ervan. Daarbij gaat het niet zozeer om b.v. het inrichten van een nieuwe schoolsoort (daarvan hebben we al genoeg), maar meer om onderwijsomgevingen die kunnen voldoen in behoeften die er leven bij leerlingen en studenten. Gedurende mijn vijfjarige onderzoek voor totstandkoming van De Onderwijstrilogie ben ik ervan overtuigd geraakt dat er nood is aan:
- Prikkelarme onderwijsomgevingen waarbij onderwijs meer in verbondenheid met de natuur en in het groen plaatsvindt. Twintig procent van de kinderen en jongeren is hooggevoelig of hoogsensitief. Deze groep raakt sneller overprikkeld, met als gevolg psychische problematiek of problemen met emotieregulatie. Het inrichten van omgeving waarin minder prikkels zijn of makkelijker ‘ontprikkeld’ kan worden, is nodig om thuiszitters te voorkomen die vervolgens in dagbesteding terechtkomen.
- Meer scholen waarin het leerstofjaarklassensysteem wordt losgelaten. Zoals in de tweede blog aangehaald, weten we uit onderzoek dat inclusief onderwijs makkelijker mogelijk kan worden gemaakt wanneer er een ander onderwijsconcept wordt gehanteerd. Differentiëren is dan eerder regel dan uitzondering en er kan onderwijs worden georganiseerd worden rondom een groep leerlingen van verschillende leeftijden met dezelfde onderwijsbehoefte. Maatwerk wordt dan de norm, in plaats van de uitzondering.
- Onderwijsomgevingen voor (uitzonderlijk) hoogbegaafden. Waarom hebben we bijvoorbeeld wel sbo-onderwijs voor de linkerzijde van de IQ-curve maar niet voor de rechterzijde?[6] Ook de OESO benoemde dit als een ‘zwak’ punt van ons huidige onderwijsbestel. De Volkskrant kopt naar aanleiding van het OESO rapport op 26 mei 2016: ‘De middelmatige leerling is koning, het schaarse talent wordt niet gekoesterd.’
- Creatieve leeromgevingen: voor menig thuiszitter werkt een creatieve werkplaats. Op veel basisscholen is creativiteit iets extra’s en ligt de nadruk vooral op de cognitieve vermogens ontwikkelen. Niet dat dat niet nodig is, maar creatieve vermogen worden vaak dan al in de kiem gesmoord.
Waar ik zelf niet op gekomen was, maar wel een achttienjarige thuiszitter, is het idee van parttime onderwijs. Nu bestaat er wel de variawet waarmee leerlingen die uitgevallen zijn, parttime naar school kunnen, maar dan is het weer dat ene kind dat een uitzondering vormt. Bovendien moet er worden gewerkt aan volledige terugkeer en mag de wet alleen worden ingezet als het tijdelijk is en met toestemming van de onderwijsinspectie. De betreffende thuiszitter vroeg zich af: waarom mogen volwassenen wel parttime werken maar mag ik niet parttime naar school? Voor sommige kinderen werkt dat nu eenmaal beter, omdat ze behoefte hebben aan meer vrije tijd om zichzelf te kunnen ontplooien op een manier die school niet ondersteunt.
Oplossing 5. Ga out-of-the-schoolbox
In het boek van Bert Wienen, eerder aan de orde gekomen, gaat Wienen in op de keerzijde van de inrichting van hulp voor vastlopende kinderen en jongeren in ketens. Een belangrijk nadeel is dat binnen een keten al snel ‘doorschuifgedrag’ ontstaat. Is onderwijs of zorg voorliggend, is zo’n vraag die ik vaak heb horen stellen en die me verbaast. Want waarom kan dat niet naast elkaar en in harmonie met elkaar bestaan? Samenwerken in een keten, ten behoeve van oplossingen die werken, is niet vanzelfsprekend.
Bij de eerste oplossing in dit blog haalde ik al even een voorbeeld aan van een mogelijk samenwerkingsproject: het creëren van een thuishaven. Dat dit er niet is gekomen, geeft wel aan dat de praktijk weerbarstig is en het lastig is om buiten bestaande hokjes te denken én vooral te treden. Daar is moed en lef voor nodig. Beter gaan we dat aanboren. Er valt veel winst te behalen wanneer gemeenten (in de brede zin des woords, dus b.v. ook afdelingen als Werk & Inkomen en afdelingen die gaan over Ruimtelijke inrichting en b.v. onderwijshuisvesting), jeugdzorg, het doorstroompunt en het onderwijs samen gaan werken.
Een voorbeeld van intersectorale samenwerking uit een geheel andere context is onderstaand voorbeeld van politiechef Paul van Musscher, waarin hij een dependance van Parnassia (geestelijke gezondheidszorg) plaatste binnen het hoofdbureau van de Haagse politie.[7]
De onderwijssector is niet één sector, maar een wereld bestaande uit verschillende subsectoren (po, so, sbo, vo, vso, mbo, vavo, hbo etc.) die eigen wet- en regelgeving kennen en waar ook dikke muren tussen kunnen staan. Samenwerking tussen deze subsectoren om flexibele paden binnen het onderwijs mogelijk te maken, om interessanter onderwijs mogelijk te maken (zie de eerdere suggestie van een mhbo-concept voor slimme jongens) ligt ook nog niet direct voor de hand. We zien wel voorzichtig aan voorbeelden ontstaan, zoals de beroepenhavo. Een mbo-opleiding waarbij studenten de mogelijkheid krijgen om vakken op havoniveau te volgen en daarna ook deelexamens voor die havo-vakken af te leggen om certificaten te halen. In een verkennend onderzoek uit 2025 van Oberon in opdracht van OCW lezen we: [8]
Op praktisch niveau worstelen instellingen soms met de complexe logistiek van het inpassen van de havo-vakken in mbo-roosters, met name in combinatie met stages, en het duurzaam faciliteren van het aanbod, ook omdat studenten soms na verloop van tijd afhaken. Daarnaast zijn er financiële en wettelijke drempels, zoals de leeftijdsgrens van 18 jaar voor deelname aan vavo-examens. We proeven bij gesprekspartners echter enthousiasme om de beroepshavo te blijven aanbieden en ontwikkelen.
Her-instroom gewoner maken
Een andere oplossingsrichting richt zich op het meer ‘gewoon’ maken van her-instroom van vsv’ers. In het werkende leven wordt, wanneer een werknemer uitvalt en thuis komt te zitten, alles in het werk gesteld om her-instroom mogelijk te maken. De verantwoordelijkheid ligt dan bij de werkgever en de medewerker. In geval van onderwijs, komt schooluitval het eerder te liggen bij de doorstroomcoach. Dat heeft iets geks. Een student of leerling wordt uitgeschreven of schrijft zichzelf uit en raakt dan buiten beeld. Zou het onderwijs niet langer betrokken kunnen blijven en iets kunnen bieden waardoor vsv’ers in contact blijven met het onderwijs?
Het zou ook gewoner (lees: makkelijker) moeten worden dan voortijdig schoolverlaters terugkeren naar het onderwijs. De huidige 21+-toets maakt het mogelijk om bij niet afgeronde vooropleiding via een toets alsnog in te stromen op het hbo. Nu heb ik heel wat hoogbegaafde schooluitvallers gezien die een paar jaar moesten overbruggen voordat ze met deze toets alsnog het onderwijs weer in konden. Die drempel zou verlaagd mogen worden. Waarom niet vanaf bijvoorbeeld zestien jaar? Ik kan het antwoord wel raden: ‘men’ is bang dat dit dan een escaperoute gaat worden uit het voortgezet onderwijs. Maar daar moet iets aan te doen zijn. Door b.v. te stellen dat er een onafhankelijke partij (het samenwerkingsverband, doorstroompunt?) is die erover oordeelt in het belang van het kind of er een aantal andere voorwaarden aan te koppelen (zoals b.v. wel over een minimaal niveau taal en rekenen te beschikken).
Voor hoogbegaafde jongeren die afstromen en uiteindelijk uitvallen, ontstaat er nu een hele paradoxale situatie wanneer zij weer het onderwijs in willen, dat het alsnog moeilijk wordt gemaakt weer een studie op te pakken. Nu is er naast de 21+-toets nog een andere optie: via de vavo alsnog een ‘toegangsdiploma’ behalen. Maar daar zijn kosten aan verbonden: de student krijgt geen studiefinanciering en betaalt dus volledig zelf de boeken en het cursusgeld. Terwijl het gaat om een startkwalificatie. Geld is vaker een bottleneck wanneer er een creatieve oplossing wordt gevonden om een jongere uit de vsv-doelgroep weer terug het onderwijs in te krijgen. B.v. omdat het particulier onderwijs of een plek waar de jongere wordt begeleid alsnog via staatsexamens een vo-diploma te behalen. Nu willen gemeenten nog weleens creatief middelen aanwenden, maar wat zou er gebeuren wanneer we naast programmatische aanpakken vanuit het vsv-programma, ook ruimte maken voor individuele leerbudgetten? Ik ken aardig wat jongeren waarin dan het potje geld geholpen had.
Oplossing 6. Luisteren en kansen geven
Het lijkt voor de hand liggend, maar dat is het niet: luisteren naar wat kinderen en jongeren zelf te zeggen hebben. Jongeren weten vaak wel wat werkt. De vraag ‘wat heb jij nu nodig’ wordt vaak niet gesteld. Voor de research voor mijn boek sprak ik onder andere met een jongvolwassene met autisme dat op de basisschool al zelf goed wist te verwoorden wat ze nodig had – dat waren vaak heel eenvoudige verzoeken. Omdat er geen gehoor aan werd gegeven, liep ze uiteindelijk vast op school. Er werd alleen niet naar geluisterd.
Marijke Welten en Hans Schuman hebben een boek geschreven, in samenwerking met jongeren: Persoonsgestuurde ToekomstPlanning in het onderwijs. Hun aanpak kan een alternatief worden voor het OPP en het kind of jongeren zelf meer regie heeft over zijn of eigen toekomst en dat meerdere leefgebieden bestrijkt, in plaats van de focus op het behalen van een diploma. De Persoonsgestuurde ToekomstPlanning (PTP) is oorspronkelijk ontwikkeld voor mensen met een verstandelijke beperking, maar is met het boek van Welten en Schuman toegankelijk gemaakt voor het onderwijs. Ruim zes jaar na de invoering van de Wet passend onderwijs komt voormalig minister Slob met een 25-tal verbeterpunten waaronder hoorrecht: maar hoe geef je dat nou vorm? Met PTP wordt hier invulling aangegeven omdat kinderen en jongeren hun eigen plan maken, en je kinderen en jongeren echt hoort. Het OPP heeft vaak meer weg van een procedurele aanpak, omdat het wettelijk verplicht is voor kinderen en jongeren in het speciaal onderwijs en in het regulier onderwijs wanneer ze extra ondersteuning krijgen. Scholen zijn verplicht het OPP te registreren. Daarmee is het meer een ‘systeemding’ (waar wel hoorrecht sinds afgelopen jaar aan toegevoegd is) dan dat het echt kinderen en jongeren die iets extra’s nodig hebben een stem geeft.
Leerlingen en studenten met een ‘zorgetiketje’ worden in de praktijk nog weleens ‘als hete aardappels’ doorgeschoven, met als redenen ‘handelingsverlegen’, ‘gedrag’, ‘ongeschikt voor het vak’, etc. Wanneer een kind of jongere meerdere scholen heeft gehad of een periode heeft thuisgezeten, durven veel scholen er niet aan te beginnen. Dossiers zijn (ondanks de strenge privacywetgeving met betrekking tot jeugdgegevens) eerder op de nieuwe school of bij de nieuwe docent dan de leerling of student zelf. Een opgelopen ‘smetje’ (zoals juriste Katinka Slump dat eens verwoordde) achtervolgt ze. Zo komen thuiszitters en vsv’ers niet altijd van hun status af, ook al willen ze dat zelf wel graag. Wat er nodig is: Met nieuwe ogen kijken, begrip voor de situatie, het verhaal en het kind of jongeren leren kennen en kansen én vertrouwen geven om weer te starten. Van de leiding vraagt dat om dashboard-management los te laten en het belang van een leerling of student op één te zetten.
Tot slot
In drie blogs heb ik allereerst de problemen met de huidige beleidsfocus op schoolaanwezigheid waarbij aanwezigheid van de leerling of student centraal staat (en niet zozeer gericht is op het onderwijs zelf) en het terugdringen van schoolverzuim (waarbij de focus ligt op registreren) aangekaart, vervolgens andere en nieuwe invalshoeken geboden en in dit laatste blog een aantal oplossingsrichtingen en concrete oplossingen aangedragen. Het fundament hiervoor ligt in het vijfjarig onderzoek dat ik heb gedaan, waaronder eindeloos veel rapporten en onderzoeken bestudeerd en vele thuiszitters en vsv’ers gesproken. Ik heb niet de illusie dat ik uitputtend ben geweest in de oplossingen in dit blog. Het is ook zeker niet allemaal kommer en kwel, ik heb vele goede initiatieven gezien en ken veel onderwijsorganisaties die hard bezig zijn om onderwijs te ontwikkelen, en te verbreden, in de lijn met de oplossingen die ik heb aangedragen. Ik hoop dat dit blog zijn weg weet te vinden naar lezers die de inspiratie kunnen gebruiken en dat het een laatste duwtje is om ook stappen te zetten in de eigen onderwijsomgeving.
Voetnoten:
[1] https://essaresearch.nl/wp-content/uploads/2018/06/Samenvatting_DEF.pdf
[2] https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2016/05/netherlands-2016_g1g6865c/9789264257658-en.pdf
[3] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/oeso-nederlandse-scholier-ongemotiveerd-amper-orde-in-klas-veel-talent-onbenut~b98bcef68/
[4] Castenmiller, K. (2025). De Onderwijstrilogie. Deel 2 Perspectieven voor het onderwijs. Pagina 162
[5] https://www.telegraaf.nl/vrouw/jongens-verdienen-extra-aandacht-in-het-onderwijs/64759632.html
[6] Lees eerdere artikelen van mij over hb-onderwijs: Slim, maar niet op school en De zomer, zonder zicht op passende onderwijsplek
[7] https://www.yourevolvingself.nl/blog/van-informele-rol-naar-formele-positie-hb-als-driver-van-vernieuwing
[8] https://app.1848.nl/static/pdf/dd/28/dd28d465af9d8d7cd05979bb7792994b8fbde449.pdf



